Wie of wat ben ik? Reflectie n.a.v. de Docentendenktank

smeerhandenEven een korte zijstap in het verhaal over mijn ervaringen als leraar-onderzoeker. In het Nederlands vanwege de aanleiding die onderwijsfilosoof Simon Verwer mij hiervoor biedt door het ‘onderwijspedagogische weten en gedachtegoed’ weer eens te benoemen. Een korte reflectie over wie en wat ik eigenlijk ben, omdat onderwijskundigen hardhandig aangepakt werden door Marc Oskam, docenten die hen verfoeien vervolgens eveneens door Paul Kirschner en ik denk/dacht dat ik beide was. Kan dat eigenlijk wel? Bovendien hoort reflecteren natuurlijk ook bij het proces van je eigen praktijk onderzoeken.
Als ik me voorstelde aan een docententeam tijdens mijn promotieonderzoek, haastte ik me altijd om te zeggen dat ik van oorsprong gymleraar was en zelf nog lesgaf op een basisschool in Amsterdam Oost. Ik probeerde dus vooral niet een tekentafelgeleerde zijn die een theorietje kwam uitproberen. Zelf had ik daar als leraar L.O. ook al voldoende mee te maken gehad om te weten dat even-komen-vertellen-hoe-je-als-onderwijskundige-denkt-dat-het-zit, meestal niet zo lekker valt bij de meeste leraren. Wij, de leraren, weten het zelf namelijk allemaal al.
Op zes scholen heb ik als promovendus het vertrouwen gekregen en is de interventie die ik ontworpen had ook uitgevoerd – hoewel niet altijd zoals vooraf bedacht.  Altijd voelde ik me verwant met vooral de praktijkdocenten in hun grote lokalen waar de leerlingen het liefst meteen het spannendste apparaat aanzetten. Het was vergelijkbaar met de keuze om de trampoline wel of niet alvast op te zetten voordat de leerlingen de zaal in komen. Of die verwantschap de reden is dat mijn onderzoek redelijk succesvol is verlopen (klaar binnen de geplande tijd), weet ik niet. Volgens mij is het namelijk niet zo dat het ‘de onderwijskundigen’ zijn die het fout doen, of de leraren die het terecht of onterecht hier vijandig tegenover staan. Misschien zat het, zoals Simon Verwer betoogt, inderdaad in de onderwijspedagogische taal die ik denk te spreken.
Opgeleid als bewegingsdeskundige in agogisch perspectief op de ALO in Tilburg, voel ik me meer pedagoog dan vakdocent. Het gaat mij altijd om het opvoeden door middel van en met behulp van bewegen. Die houding sloot vervolgens uitstekend aan bij de opleiding Onderwijspedagogiek aan de VU. Daar werden we als studenten van begin af aan bij elk onderwijskundig probleem gewezen op de opvoedkundige doelen erachter. We werden geoefend in het tussen de regels door herkennen van onderwijs- en opvoedingsvisies van scholen, onderzoekers, leraren enz.. Door een stevige leer- en wetenschapstheoretische en (onderwijs)filosofische basis versterkte ik dus mijn onderwijspedagogische invalshoek. Nu Gert Biesta de onderwijspedagogiek weer op de agenda probeert te krijgen, is dat voor mij volkomen vanzelfsprekend. Misschien dat ik daarom trouwens de zogenaamde kloof tussen theorie en praktijk soms helemaal niet zie.
Terzijde, op de VU,  heb ik, als promovendus, veel gediscussieerd met Jacqueline Bulterman-Bos over of onderwijswetenschappers ook praktijkervaring in de klas zouden moeten hebben. Ik had die, maar vroeg me echt af of dat nu de kloof zou dichten. Zij vergelijkt daarvoor de medische wetenschappen met de onderwijswetenschappen, Biesta was ook toen al onze discussiepartner. De chirurg is een academische doener zogezegd. Een wetenschapper/docent zou dat ook kunnen zijn. In een recente publicatie roemt zij, terecht de Stichting Leerkracht die het onderwijs van binnen uit willen verbeteren. Wel blijft ze erbij dat de relatie denken en doen opnieuw overdacht moet worden (Bulterman-Bos, 2015). Misschien ben ik selectief blind, maar ook het scherpe onderscheid tussen denken en doen herken ik niet zo. Hoe kun je doen, zonder te denken? En doe je niets als je denkt?
De vraag is dus, ben ik net als een vis die niet weet wat water is om dat water overal is? Zie ik de kloof wetenschap-praktijk en denken-doen niet, omdat ik er midden in zit? Is het, met andere woorden, mijn perspectief dat mijn blik erop vertroebelt? Het is natuurlijk altijd het perspectief dat bepaalt of en hoe één en ander als een probleem wordt gezien. Wil je als wetenschapper/denker jouw inzichten delen met de praktijk, maar merk je dat ze niet (meteen) omarmd worden, dan zie je eerder een kloof dan wanneer je samen met de doeners onderwijs probeert te maken gebaseerd op inzichten uit wetenschap en praktijkervaring.
Het perspectief van anderen bepaalt trouwens ook hoe ik gezien wordt. Op de ALO was ik eerder de denker, ik kwam immers van het vwo en vond de meeste theorievakken interessant. Op de VU was ik als student een doener, want ik gaf nog les en was, gymleraar immers, praktisch ingesteld. In het onderwijs ben ik weer de academicus, want gepromoveerd, kritisch en ik heb veel gelezen. Als lerarenopleider denk ik zelf dat ik beide in me verenig, maar door studenten werd ik ooit de filosoof genoemd. Ik denk niet dat ik zo uniek ben in zowel denker als doener zijn. Ik ken hoogopgeleide doeners en minder hoogopgeleide denkers. Ik denk dus dat de perceptie van een kloof voor een deel ook zit in het generaliseren van groepen: leraren zijn doeners; wetenschappers (met de onderwijskundige adviseurs in hun kielzog) zijn theoretici. Ik zie dat die hokjes en scherpe scheidslijnen voor een deel lijken te verdwijnen met de initiatieven zoals de Docentendenktank, Stichting Leerkracht en in de teksten van het Alternatief en Flip the system. Onderwijspedagogiek wordt daarin, vaak aan de hand van Biesta, in praktijk gebracht. Theorie en filosofie worden gebruikt om de (visie op de) praktijk te formuleren en voorstellen voor de verbetering ervan te doen.
Terug naar mijn reflectie. Een onderwijs(ped)agogisch perspectief helpt mij in ieder geval het perspectief van de ander in te nemen en vervolgens me de vraag te stellen, wat van mijzelf kan ik bieden in de activiteit die we samen ondernemen. Dat geldt voor mijn onderwijs in bewegen, het opleiden tot leraar en het ontwikkelen van onderwijs met teams. In mijn practitioner research probeer vanaf nu al mijn perspectieven te verbinden en expliciet te maken door de cultuurhistorische theorie te verbinden aan het maken van onderwijs (zowel lesgeven als curriculumontwikkeling). Ik ben benieuwd waar dat toe zal leiden.

Geef een reactie