Van de sloop tot de broedplaats. De beloften van makeronderwijs.

12 jaar geleden kwam het boekje ‘Koop een auto op de sloop’ van Alex van Emst uit. Veel technieklokalen veranderden toen (tijdelijk) tot . Behalve de discussie die daarna losbarstte over oud versus nieuw leren, hadden de docenten die ik toen sprak ook minder hoogdravende argumenten tegen het simpelweg opknappen of ombouwen van auto’s om hun leerlingen wat te leren. Nu heeft het maakonderwijs de landelijke pers gehaald. Een succes van de pioniers daarvan. In de van de horen over het algemeen geen zwarte nagelriemen. Maar er is meer dat fundamenteel anders is aan bouwen met , en kits. We zijn flink eind van de sloop verwijderd geraakt. Kort en krachtig: ontwerpen is centraler komen te staan en dat is winst.

De vooral het praktische argument tegen het ombouwen van auto’s van de sloop, geen rotzooi in het lokaal, is wat mij betreft steekhoudend. Laat ik toch beginnen met nog een paar argumenten vóór het opknappen van oude spullen als opdracht voor vmbo-ers. Ten eerste is het natuurlijk helemaal van deze tijd om gebruikt materiaal te hergebruiken, omdat dat immers milieubewust en ecologisch verantwoord is. Om leerlingen daar binnen hun sector bewust van te maken lijkt me een prima onderwijs- en opvoedingsdoel. Ten tweede zit in het werken met bestaande, oude materialen de kans besloten om ook in te gaan op oude technieken en zo de koppeling te leggen met bestaande vakkennis. Tot slot kan inderdaad, zoals Van Emst ook betoogt, het werken vanuit een contextrijke complexe opdracht tot betekenisvoller leren leiden, dan het werken aan kleine, losse deelopdrachten. Dit argument sluit aan bij de aanbeveling uit mijn onderzoek dat de opdracht betekenisvol, uitdagend en moeilijk, maar niet te moeilijk moet zijn. Tot zover de argumenten vóór.

Het belangrijkste argument tegen het kopen van een auto op de sloop is dat daarmee voor de leerlingen het materiaal hun ontwerpen gaat bepalen.Vooral in het tweede deel van mijn onderzoek kwam ik erachter dat ideeën die leerlingen in ontwerp hadden omgezet, verdwenen en niet meer ter zake deden als het materiaal niet meer voor handen was (zie ). Nu is dat inherent aan elk ontwerpproces, maar door bestaand materiaal als uitgangspunt te nemen, beperk je vooraf al de mogelijkheden. De kansen voor leerlingen om echt zelf iets nieuws Instant Knockout en creatiefs te bedenken nemen daarmee af. Het ontwerp wordt niet echt meer hun eigen ontwerp, als ze al moeten ontwerpen. Immers, je kunt aan een oude auto gewoon lekker gaan klussen en kijken wat het wordt. Dat is jammer want juist het anticiperen op mogelijke problemen, vooruit denken en plannen dus, zijn cruciaal gebleken om tot betere leeruitkomsten te komen. Leraren die leerlingen bewust maken van de functie van ontwerpen met behulp van modellen, oriënteren en communiceren, halen betere resultaten met de leerlingen (zie ).

Geen rotzooi in het lokaal, zoals leraren mij leerden, is wijs, want voor welke praktijk staat dat? Hoeveel bedrijven zijn er die in de vorm van een spel, zoals Scrap Heap Challenge van Channel 4, oude meuk opknappen? In het beroepsonderwijs, ook in het voorbereiden daarop, zou je praktijken waar de leerlingen later in te werken komen moeten simuleren. Hoewel hergebruik misschien in is, zie ik nog niet zomaar op een bedrijfsmatige manier praktijken ontstaan die meer doen dan te zorgen dat een auto het weer doet.

Daarmee kom ik op mijn laatste punt, er moet meer gedaan worden dan een werkend product maken. Om meer te leren dan vaardigheden, moeten leerlingen nadenken over de praktijk waarin ze gaan werken. Nadenken over het productieproces dus. Als je nadenken hoe dat optimaal verloopt, groeien ze in in die praktijk en worden ze volwaardig deelnemer. Dat is uiteindelijk de bedoeling. Op het vmbo is dat nog breed, leerlingen kunnen namelijk nog alle kanten op, dus moeten er ook breed inzetbare vaardigheden en algemene theorie geleerd worden. Dat vraagt opdrachten die die kansen bieden. Alleen een auto werkend te krijgen is te smal. Opdrachten moeten ‘kennisrijk’ zijn. Dat wil zeggen, in de opdrachten moeten aanknopingspunten voor algemene kennis als wis- en natuurkunde zitten. Dan is er uit de praktijk meer te leren dan lassen en dat motiveert.

De kennisrijkheid is precies waar mijns inziens de kansen liggen voor het markeronderwijs. De arduinos en raspberry pies vragen, nee eisen, een ontwerp, eventueel van internet. Hoewel je wel een stukje komt met trial and error, dagen ze na het doen ook uit tot nadenken. Waarom werkt het eigenlijk zo en wat kunnen we daarmee? De kritische vraag is dus of het maakonderwijs meer kan zijn dan motiverend voor leerlingen en goed voor de zogenaamde 21st century skills probleem oplossen en creatief zijn. We zijn een eind verwijderd van de sloop, op naar de kennisrijke broedplaats.

Literatuur
Van Emst, A. (2002). Koop een auto op de sloop. Paradigmashift in het onderwijs. Utrecht: APS.
Van Oers, B., & Tanis, M. (2009). .Tijdschrift voor Didactiek de Beta-wetenschappen, 26(1-2), 3-20.
Van Schaik, M., Terwel, J., & Van Oers, B. (2014). Representations in simulated workplaces. International Journal of Technology and Design Education, 24, 391–417. doi:10.1007/s10798-014-9261-4 ( voor pdf van artikel klik )

Geef een reactie