OZO: programma (in ontwikkeling)

Elders schreef ik over mijn plannen als Onafhankelijk Zelfstandig Onderzoeker. Die hielden onderstaande in:

Wat ik wil is door onderzoek- en ontwikkelwerk tijd creëren voor mijn eigen ‘onderzoeksprogramma’. Simpel gezegd moet ik dan zorgen dat ik opdrachten binnenhaal die niet al mijn tijd opslokken, maar wel genoeg opleveren, zodat ik ook aan mijn eigen onderzoeksvragen kan werken. Toch heb ik nog iets meer ambitie. Ik wil namelijk ook maatschappelijk relevant onderzoek doen en ook iets in mijn model inbouwen dat die relevantie garandeert. Zoals de verschillende geldstromen van de instituten dat ook (proberen te) doen. Mijn plan is als volgt:Ik stel mijn eigen onderzoeksprogramma op (op basis van mijn eerder onderzoek);Ik verwerf opdrachten (onderzoek of ontwikkeling) die daaraan gerelateerd zijn;Met de opdrachten draag ik ook bij aan mijn eigen onderzoeksvragen;De opdrachtgevers dragen zo (direct of indirect) ook bij aan mijn onderzoeksprogramma.Eigenlijk is het misschien wel een vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen: opdrachtgevers kiezen mij als opdrachtnemer, omdat ze achter mijn onderzoeksprogramma staan. Zoals we ook graag bij een restaurant gaan eten waar psychiatrische patiënten begeleid aan het werk zijn, of we een merk chocolade kopen omdat het merk ook bijdraagt aan verbetering van de leef- en werksituatie van de cacaoboeren. (zie verder hier).

De belangrijke thema’s in het onderwijs voor de komende tijd zijn volgens mij:
1 ontwerp en uitvoering van onderwijs op maat gericht op duurzame leerresultaten
2 integratie van theorie en praktijk in het (beroeps)onderwijs
3 theoriegestuurde onderwijsinnovatie, onderbouwd met empirisch bewijs.



Kort en krachtig: ik wil onderzoeken hoe we onderwijs kunnen ontwikkelen en uitvoeren en onderzoeken waarbij we oog hebben voor het individu in de groep. Dat is niet nieuw, maar wel urgenter dan ooit. Het beleid is meer en meer gericht geworden op effectiviteit en daarmee wordt het gemiddelde al snel de norm. Tegelijkertijd zijn we als consument gewend aan producten en diensten die zich afgestemd zijn aan onze voorkeuren. Kijk bijvoorbeeld naar t-shirts die we zelf kunnen vormgeven, schaatsen en schoenen die uit de fabriek komen, maar wel precies pas worden aangeboden. Kijk ook naar de profielen op Facebook en Twitter die we aan kunnen passen. Zelfs huizen kunnen nu kant en klaar, maar toch op maat gemaakt worden (zie Volkskrant Magazine van zaterdag 11 mei 2013 & hier). Van deze ‘mass personalisation’ of ‘mass customerisation’ is in het onderwijs meestal nog geen sprake. Meestal, maar niet altijd, krijgen de leerlingen al het aanbod op hetzelfde moment op dezelfde manier. Het centrale eindexamen is daarvan wel het meest extreme voorbeeld. Om iedereen op hetzelfde moment te toetsen en die ook te laten halen, is het zitten blijven de enige oplossing. Vreemd als we ook denken dat we allemaal uniek zijn, ons in verschillende tempi ontwikkelen etc.. Hoe kan dat beter? Beter in die zin dat we zicht krijgen op hoe we onderwijs laten aansluiten bij het individu zonder individueel onderwijs na te streven. Dat de leerresultaten meer zijn dan een score op de (eind)toets. Dat met andere woorden, hoe zorgen we ervoor dat de leerresultaten duurzaam worden?
Vaak wordt er dan over transfer gesproken. Dan wordt bedoeld dat wat er geleerd is in de ene situatie (op school) ook gebruikt wordt in de andere (op het werk, in het leven). Ik gebruik dat woord liever niet (zie ook mijn vragen bij wat kennis is). Hoe je praktijk en theorie kan verbinden is onder andere te lezen in mijn proefschrift en artikelen (zie hier). Hoe je kennis meet en hoe die kennis grenzen over kan steken tussen opleiding/school en werk/leven, zou ik graag verder onderzoeken in de lijn die ik nu ingezet heb met mijn paper op de AERA.
Tot slot moet dat onderwijs niet ontwikkeld worden op basis van vage ideeën, geloof of op zijn best intuïtie, maar op basis van theorie. Met een goede theorie kun je ontwerpen en de waarde van het ontwerp in de praktijk goed toetsen. De theorie die ik gebruik is de cultuurhistorisch activiteitstheorie. In Het VMBO van dichtbij (hoofdstuk 6) leg ik verder uit hoe die theorie ons kan helpen (later meer). Wat ik dus wil is die theorie naar de scholen ‘brengen’, uitleggen en vervolgens gebruiken om onderwijs te ontwikkelen en te evalueren om zo dan ook empirisch bewijs te verkrijgen of een ontwerp wel of niet werkt. Een en ander in het kader van mijn eigen ‘bedrijfje’ Meester! Onderwijs Inzicht.