Dromen en herinneringen

Onderstaande stuk heb ik geschreven voor het boekje ter gelegenheid van het 110 jarig jubileum van het Juvenaat. De school waar ik leerling en leraar was (zie ook hier en hier)

’s Nachts overkomt het me nog regelmatig dat ik niet meer weet wat ik zal betogen op een lezing die ik geef op het Juvenaat. “Hoe verenig je jouw huidige onderwijskundige visie met de ervaringen uit de tijd als leerling en leraar op het Juvenaat?” zal me misschien gevraagd worden. De opdracht die ik mezelf meegeef als ik de lezing voorbereid is: wat was er goed op het Juvenaat, maar wat zou ik anders doen met mijn huidige expertise als onderwijspedagoog? Maar hoe koppel je goede herinneringen aan onderbouwde kritiek?

De goede herinneringen hangen vooral samen met personen en, nu ik er overdag over nadenk, de kritiek eigenlijk ook. Dat Joop Bakx het bijvoorbeeld geweldig vond dat Mark Mes en ik een eigen lichtcomputer bouwden voor onze drive-in discotheek, die vooral ingezet werd tijdens brugklasfeestjes op het Juvenaat. Dat we daarvoor gewoon de apparatuur, die Gerard Schuurbiers via via geregeld had, konden gebruiken.  Scholen noemen dat nu wervend ‘ruimte voor talent’, maar het mooie was vooral dat de ruimte die wij kregen er formeel helemaal niet was.

Of het nu dag of nacht is, mijn herinneringen zijn nogal diffuus, omdat ik vaak niet meer weet of ze over de tijd als leerling of die van leraar op het Juvenaat gaan. Had Ome Leo er nu al 40 dienstjaren opzitten toen ik leraar of leerling was? Uiteraard niet moeilijk na te gaan, maar maakte ik toen ook samen met Anita onze ‘sexy L.O.’ -Truien, of was dat voor een andere gelegenheid?

Nu ik geen gymleraar meer ben draag ik nog steeds de visies van mijn illustere voorgangers met me mee. Mijn proefschrift heb ik dan ook opgedragen aan Anita, achtereenvolgens mijn gymjuf, decaan, stagementor, ervaren collega, stimulator. Nog steeds herinner ik me haar  soms voor mij vage uitspraken, of hoe ze me glimlachend aankeek. Met terugwerkende kracht herken ik in haar visie de theorieën van Vygotskij en Dewey, de denkers die nu mijn onderwijspedagogische ankers zijn. Nog steeds vertel ik pabostudenten hoe ik mijn toenmalige onderwijsvisie aan een knipogende Ome Leo moest uitleggen tijdens mijn sollicitatiegesprek. Wat ik daar toen zei – mijn doel is om leerlingen te leren dat ze net iets meer kunnen dan ze dachten dat ze konden – gebruik ik nu om Vygotskij’s  concept van de ‘Zone van Naaste Ontwikkeling’ uit te leggen.

De Zone van Naaste Ontwikkeling zou de leidraad worden van mijn lezing. Ga op zoek naar wat de leerlingen al wel alleen kunnen en waar ze nog hulp bij nodig hebben. Daartussen ligt die zone. Biedt in die zone de ondersteuning aan die leerlingen nodig hebben. Sommigen hebben baat bij elke week een overhoring, anderen moeten leren schrijven in de schoolkrantredactie. Betekent dat individueel onderwijs? Nee zeker niet, maar vraag je af wat klassikaal en wat individueel aangeboden moet worden. Wat is er mooier dan met de hele klas een goed verteld geschiedenisverhaal  horen, of naar de dia’s van de Italiëreis kijken? Tegelijk is het niet nodig om klassikaal de vraagstelling voor de scriptie (of profielwerkstuk) te bespreken.

Tijdens bijscholingen (op het Juvenaat en ook elders) is mij gevraagd wie mijn favoriete docent was. Meestal proberen de trainers de kenmerken van die docent dan zo te formuleren dat die overeenkomen met hun onderwijskundige opvatting die ze over willen dragen. Toen ik op het Juvenaat werkte vond ik het lastig om dat te vertellen, het was namelijk één van mijn collega’s: Jan van Tienen. Wat hij ons wilde leren zou ik nu duiden als ‘learning for understanding’. Ik zou zijn manier van lesgeven vooral verbinden met de ideeën van Dewey. Dat leg ik dan in die lezing uit, net als de onderbouwde kritiek, die ik dan laf niet aan personen koppel.

Na acht jaar als leerling, een jaar als stagiaire en vier jaar als leraar op het Juvenaat heb ik het voor gezien gehouden. Dat is al weer 10 jaar geleden. Nog steeds staan evenementen van het 100 jarig jubileum in mijn portfolio als bewijs van mijn extra-curriculaire activiteiten als leraar. Welke daarvan verdienen dit jaar een update? Het optreden van Schmäckma misschien, dan wel het liefst in de Gelaarsde kat. Of alle afterparties en het napraten in de Zet, dan wel met Reinier als barman/d.j.. Of de Romereis, dan wel met op zijn minst Ellen, Robert, Ben en Gerard als reisleiding. De beelden van nachtelijk Rome zijn altijd helder, maar als ik dan de volgende ochtend dan wakker wordt, weet ik niet meer of ik gedroomd of wakker gelegen heb.