Dewey

Hieronder de boekbespreking gepubiceerd in Warm aanbevolen in Pedagogiek in Praktijk no. 61, juni 2011.Het boek over Dewey van Joop Berding is een aanrader.

Met enige regelmaat kom je ze tegen, rubrieken in tijdschriften, televisieprogramma’s en kranten waarin de actualiteit vergeleken wordt met gebeurtenissen, kunst of filosofieën uit het verleden. Het boek van Dr. Joop Berding, met in het Nederlands vertaalde teksten van John Dewey, kan het omgekeerde teweeg brengen. Door het lezen Dewey’s werk (geschreven van 1895-1944) krijgen pedagogische actualiteiten een ander kader.

We leven in het begin van een nieuwe eeuw. Dewey heeft in het begin van de vorige eeuw veel van zijn werken geschreven. Misschien is het daarom niet toevallig hoe vaak de discussie die hij aangaat, nu nog relevant is. Aan de andere kant, misschien zijn pedagogische discussies wel van alle tijden en daarmee tijdloos. Hoe dan ook, Berdings vertalingen van Dewey lezen als eigentijdse teksten. Dat komt niet alleen door een soepele vertaling, hoewel de auteur zelf waarschuwt niet te snel op te geven als het wat taai wordt. Saai wordt het in ieder geval niet. Mijn pedagogische geloofsbelijdenis (My pedagogic creed) zou zo maar een blog uit deze eeuw kunnen zijn, terwijl het toch echt in 1897 geschreven is.

De huidige trend vanuit de overheid om (onderwijs)opbrengsten of effectiviteit te willen meten en bestuurders daarop te willen afrekenen, laat zich makkelijk vergelijken met sommige simplistische ideeën van het behaviorisme waar Dewey zich in andere teksten tegen af zette. De gedachte dat meten weten is, of dat input voldoende output op moet leveren, lijkt toch wel erg op de klassieke stimulus-respons gedachte. Dewey rekent met dat idee onder andere af in Wat is leren? (What is learning?, 1937) door te stellen dat een externe stimulus niet als eerste komt, „het is de naar buiten-reikende activiteit die hiernaar zoekt” (p. 114). Met andere woorden, op zijn minst ligt het niet alleen aan de input wat de output wordt. Berding voegt daar in een voetnoot een nog een verwijzing naar een uitgebreidere argumentatie aan toe.

Het boek is voorzien van een uitgebreide inleiding op Dewey waarin zijn leven, de bekendheid van zijn werk in Nederland en de belangrijkste kernbegrippen worden uitgelegd. Ook het actuele belang van Dewey wordt onderstreept aan de hand van de kentering die nu in het onderwijs gaande is naar meer aandacht voor de leerinhouden. Berding ziet een beweging richting het pedagogisch sociaalconstructivisme. Een interessante term waarvoor we verder naar andere werk van de auteur verwezen worden. Dewey zou deze lijn ondersteunen. Dat wordt geïllustreerd aan de hand van Dewey’s kernbegrippen: ervaring, transactie en participatie. De inleiding alleen al geeft een goed beeld waar het bij Dewey over gaat en daarom is het boek waardevol. Dan moeten de vertalingen nog komen.

De selectie van teksten is verdeeld over vier delen: Opvoedend onderwijs; Spelen, leren en denken; Leerinhouden en onderwijsmethodes; Democratie en burgerschap. In totaal zijn er 19 teksten van Dewey uitgekozen en verdeeld over de verschillende delen. Het beroemde The Child and the Curriculum uit 1902 is er daar één van en bleek zelfs nooit eerder in het Nederlands vertaald te zijn. Fijn dat we nu daar wel over beschikken.

Het kind en het curriculum is de tekst die het deel over leerinhouden en onderwijsmethodes opent. Een bekend citaat onderstreept dat Berding wel een punt heeft als hij zegt dat Dewey van belang in de huidige trend in het onderwijs terug naar de leerinhouden. „Het gaat om een voortdurende reconstructie die zich beweegt van de huidige ervaring van het kind in de richting van al datgene wat wordt vertegenwoordigd door de georganiseerde gehelen van waarheid die we vakken noemen” (p.146). Het is dus niet alleen het zelf ervaren en/of ontdekken van de leerlingen, maar ook niet alleen maar aanbieden van de stof in vakken. Het gaat om reconstructie vanuit de ervaring richting de inhouden van de schoolvakken, of eindtermen. Een mooie ‘derde weg’ in de dichotomie tussen nieuw en oud leren.

Het lezen van Dewey in het Nederlands doet (opnieuw) realiseren hoe pedagogisch relevant zijn ideeën waren en nu nog zijn. Enerzijds zou je cynisch kunnen worden van het feit dat we in de pedagogiek al zo lang discussiëren en er geen kant en klare oplossingen lijken te hebben.  Aan de andere kant is het prettig te weten dat er eerdere inzichten bestaan die een verhelderend licht werpen op nieuwe problemen.  Bovendien helpt de Nederlandse taal de ideeën toegankelijk maken voor een grotere groep dan alleen de doorzetters die bereid zijn zich door het oude Engels te worstelen. De teksten zijn nu met wat goede wil te lezen door studenten pedagogiek en lerarenopleidingen. Daarmee kan Dewey de toekomstige leraren en pedagogen argumenten en visie te geven om stelling te nemen in vaak te platte zwart-wit discussies. Het publieke debat over  bijvoorbeeld kennis óf vaardigheden, over ontdekkend leren door studenten tegenover het overdragen,  door leraren, kan zo een nieuwe dimensie krijgen. Het gaat om welke kennis en welke vaardigheden voor wie en wanneer. Het gaat om wanneer overdragen of zelf  laten ontdekken. Ook zo’n honderd jaar geleden schreef Dewey al over een slingerbeweging in pedagogische discussies en de vaak te radicale stellingname. We zouden er goed aan doen die waarschuwing te harte te nemen en op zoek gaan naar de balans.

Omdat ze zo mooi zijn nog een paar citaten die aangeven hoe relevant en tegelijk tijdloos de teksten Dewey zijn.

„Er is geen innerlijke tegenstelling tussen samenwerken met anderen en werken als individu. Integendeel, sommige individuele eigenschappen komen pas naar boven dankzij de impuls van het samenwerken met anderen.” Uit Het individu en de wereld, p.76.

„De veranderingen in de fysieke aspecten van de wereld zijn zo snel gegaan dat we niet verbaasd moeten staan over het feit dat onze psychologische en morele kennis deze niet heeft kunnen bijhouden.” Uit Het vertrouwen in de democratie en de opvoeding, p.228.