10 minuten

In PIP nr. 62 schreef ik samen met Edu Dumassy een stuk over 10-minutengesprekken (onlangs nog in het nieuws)
PIP62_5_10MIN_Dumassy_VanSchaik
10-minutengesprekken: een panacee of een pedagogisch onding?
Ooit was er een tijd – tot en met pakweg de zeventiger jaren – dat leerkrachten het gewoon vonden om bij zoveel mogelijk leerlingen thuis ouderbezoeken af te leggen of om na schooltijd alle ouders te ontvangen.

Maar met de komst van de basisschool (1985) en grootschaligheid in het voortgezet onderwijs werden leerlingen en hun ouders steeds meer `producten’ waarmee op een efficiënte manier contact moest worden onderhouden. De effectieve school deed haar intrede waarbij gestreefd werd naar een zo groot mogelijke kwaliteit aan zoveel mogelijk leerlingen. Hierbij moesten organisatieprocessen zoveel mogelijk beheerst worden. Ook het bijpraten van ouders over de vorderingen van hun kinderen moest efficiënter: meer ouders in minder tijd. Zo ontstond in de negentiger jaren het fenomeen van de 10-minutengesprekken.

Oudercontacten
Een goede verstandhouding tussen ouders en de school heeft positieve effecten op het sociaal functioneren van leerlingen, zo is uit onderzoek gebleken. Aspecten die daarbij worden genoemd zijn het gedrag van leerlingen, hun motivatie, hun sociale competenties, de relaties tussen leraar en leerling en de relaties tussen leerlingen onderling.
Uit onderzoek blijkt ook dat ouderparticipatie kan leiden tot veranderingen bij ouders: leerkrachten kunnen invloed krijgen op het opvoedingsklimaat in het gezin. Verder heeft een grotere ouderbetrokkenheid met school positieve effecten op het ‘klimaat’ van de school en op de openheid van de school naar haar omgeving. Als ouders de schoolsituatie kennen en kunnen meepraten over de school, zijn ze beter op de hoogte van de regels en de verwachtingen van de school. Kortom, goede contacten van de leerkrachten met de ouders zijn onontbeerlijk bij de ontwikkeling van het kind en bij een pedagogische aanpak die thuis en op school zoveel mogelijk op elkaar aansluit.

Maar hoe is de praktijk?
Het 10-minutengesprek duurt soms zeven minuten, maar ook wel eens vijftien. De ene school houdt ze vier keer per jaar, de andere twee. Soms vinden ze vóór de rapporten plaats, of na de rapporten of  los van de rapporten. Sommige scholen noemen het schoolvorderingsgesprek, tafeltjesavond of een rapportbespreking. Op sommige basisscholen worden de gesprekken niet nodig gevonden voor ouders van leerlingen die goed scoren. De ene school verplicht de leerling erbij te zijn, van de andere mag dat juist niet.
PvdA-raadslid Peter van Heemst stelt naar aanleiding van een openbare discussie in de Centrale Bibliotheek over het Rotterdamse onderwijsbeleid dat de betrokkenheid van ouders bij hun kind op de basisschool verplicht moet worden gesteld. In een contract tussen ouders en school moet worden vastgelegd dat zij op zijn minst twee keer per jaar naar het zogeheten 10-minutengesprek komen. Wie dat niet doet moet een boete van 100 euro krijgen.

Toekomst
Een paar jaar geleden vond de grote opvoedtest plaats van het dagblad Trouw dat mede op initiatief van de onderwijsvakbond CNV werd uitgevoerd. Aan het onderzoek namen 2300 docenten en 5500 ouders deel en het werd uitgevoerd door de Universiteit Utrecht. Uit het onderzoek kwam naar voren dat een grote minderheid van ouders en docenten niet tevreden is over de zogeheten ’10-minutengesprekken’ tijdens ouderavonden. Ze vinden de tijd te kort om echt op de toestand van het kind in te gaan.

Voortgezet onderwijs
Uit de praktijk van het voortgezet onderwijs klinkt menig ontevreden geluid. Een leraar aan het woord van het Juvenalis college in Broekhoven: `Wie zou in hemelsnaam toch die 10-minutengesprekken bedacht hebben? Als er één symbool is van een soort pseudo-praktische, semi-pedagogisch verantwoorde organisatiedrang, is het wel het 10-minutengesprek. Ooit heb ik er één mogen organiseren op mijn toenmalige gymnasium. Wat een ellende. Leerlingen en/of ouders die niet kunnen, niet ingeleverde verfrommelde strookjes, collega’s die niet meer dan 5 gesprekken per avond willen en niet kunnen vóór 18:37 uur en niet na 20:13 uur. Uiteindelijk lijkt het dan een overwinning dat je mag bellen voor de laatste ronde op woensdagavond 21:20 uur en er slechts vijf fouten in het rooster bleken te zitten. De vraag wie een zinvol gesprek heeft gehad werd toen niet in de evaluatie meegenomen. Ik ben met het organiseren ervan gestopt.’

Ooit zou het ongeveer zo gegaan kunnen zijn.
In een teamvergadering op maandagmiddag in schooljaar ‘55/’56 stond op de agenda ‘contact met ouders’. De conrector van de onderbouw legde uit dat er een behoefte van de sectie Frans was om contact te hebben met de ouders over de vorderingen van hun kinderen. De sectie had, in tegenstelling tot de klassenmentoren, weinig tot geen informatie over de thuissituatie en achtergronden van de leerlingen. Het idee was dat door contact met de ouders de leerprestaties van de leerlingen positief beïnvloed konden worden. Bijvoorbeeld door de ouders suggesties te doen voor hulp bij het huiswerk, of door inzicht in de thuissituatie de leerlingbegeleiding beter te kunnen afstemmen. De conrector zag het pedagogisch voordeel en legde het daarom voor aan het onderbouwteam.

De klassenmentoren van de eersteklassen legden uit dat zij de vroegere huisbezoeken als heel prettig hadden ervaren, maar dat die veel tijd kostten. Nu nodigden ze ouders alleen indien noodzakelijk uit en waren er twee plenaire ouderavonden per jaar. Het team was collectief van mening dat in contact komen en blijven met de ouders een goede zaak was. De vraag van de conrector was: ‘Hoe gaan we dit handen en voeten geven?’
Vijf jaar later, met een nieuwe conrector, werd in zo’n zelfde vergadering besloten dat de gesprekken allemaal op twee avonden in de week na de rapporten moesten plaatsvinden, dat was makkelijker voor de roostermaker. Vijftien jaar later konden de ouders maximaal twee docenten op een avond spreken. Zo werden de ouders die, omdat het kon, bij alle docenten langs gingen ingeperkt. Vijfentwintig jaar later zijn de gesprekken tot tien minuten gereduceerd, zodat de docenten, die soms aanvragen van bijna twee volle klassen kregen, de meeste van die ouders ook werkelijk konden spreken.
In 2005 is al eens geopperd om weer huisbezoeken in te voeren, maar dat strandde op de bezwaren van de commissie taakbelasting. Nog steeds draaien de 10-minuten avonden op het schema uit 1980. Onder docenten is het tegenwoordig een deel van de cultuur om in de rapportvergaderingen af en toe te zeggen dat je van de 5 maar een 5.5 maakt, ‘anders heb ik zoveel 10-minuten ouders.’ Steeds minder ouders vullen het strookje in, of leerlingen ‘vergeten’ de brief thuis te laten lezen. Een werkgroep ‘oudercontact’ is in het leven geroepen om een alternatief voor de avonden te bedenken. Eerste opdracht die de werkgroep zichzelf heeft gesteld is het doel van de 10-minuten avonden duidelijk op papier te krijgen.
Op menig school lukt het om die 10-minutengesprekken met de jaren routinematig te laten verlopen. Voor probleemleerlingen worden extra gesprekken gepland en ouders kunnen zelf een selectie maken van de leraren die ze willen spreken.

Basisonderwijs
Ook in het basisonderwijs klinken ontevreden geluiden. Zo heeft openbare basisschool de Kameleon in Doorn al jaren geleden de 10-minutengesprekken afgeschaft. ‘Het werkte niet’, zegt schoolleider Piet Hazewinkel. ‘Het was veel te massaal.’ Vroeger belegde de school ze drie keer per jaar. ‘Moet je je voorstellen, met een klas van dertig leerlingen had je dertig gesprekken op een avond. Dan zat je aan het eind van de avond uit je nek te zwammen omdat je nauwelijks meer een idee had over welke leerling het ging.’ Het hele schema van zo’n avond liep in de war als één ouder te laat was. En ouders met meer kinderen op school hadden ook een probleem want die moesten nogal eens wachten op hun volgende gesprek.
Maar op de meeste basisscholen schikken ze zich in het fenomeen 10-minutengesprekken omdat het een efficiënte manier is om zoveel mogelijk ouders te spreken. Ook leraren moeten zo effectief mogelijk met hun tijd omgaan, gezien hun takenpakket naast het lesgeven.
Consultants van particuliere onderwijskundige bureaus, afdelingen contractactiviteiten van hogescholen en landelijke pedagogische centra storten zich op het advieswerk om die gesprekken zo goed mogelijk te laten verlopen. Zo zijn er kaarten van het CPS waarop zowel ouders als leerkrachten op vijfpuntsschalen enkele aspecten van de ontwikkeling van de leerling kunnen beoordelen. Naast de leervorderingen kunnen de afwijkende beoordelingen dan aanleiding zijn om het gesprek te sturen. Elders worden checklists gebruikt op het gebied van motoriek, werkhouding, spel, diverse vakken en sociaal-emotioneel gedrag. Gesprekken kunnen daardoor gestroomlijnd verlopen als ouders communicatief goed onderlegd zijn. Maar hoe zit het met allochtone ouders aan wie onze taalnuanceringen vaak ontgaan?
Marktwerking
Het draait vooral om efficiency en professionele bedrijfsuitstraling en minder om de pedagogische betekenis van oudercontacten. In het Handboek ouders in de school van Peter de Vries lezen we tips (pag. 94) waarbij de leerkrachten als vertegenwoordiger van de school gestimuleerd worden tot een zo uniform mogelijke aanpak.
Enkele voorbeelden: Begin een zin nooit met ‘Uw kind is…’ maar met ‘Op school ervaren wij uw kind als….’ of  ‘Uit de toetsen blijkt dat uw kind…..’.
Gebruik geen kookwekker en leg het horloge niet demonstratief op tafel maar bewaak samen met de ouder de tijd. Voor veel ouders is een 10-minutengesprek vergelijkbaar met een bezoek aan de huisarts.
Niet communiceren door middel van kleren is onmogelijk. Zorg daarom voor passende kleding waar een ouder zich prettig bij kan voelen. Het gaat om een professionele uitstraling, enzovoorts.
Terwijl scholen zelf marktobject zijn geworden voor consultants, worden zij zelf als ‘bedrijfsteams’ klaargestoomd om hun klanten (ouders en kinderen) zo effectief mogelijk te benaderen om daarmee te voldoen aan inspectieoordelen waarbij scholen ook onderzocht worden op hun oudercontacten. Ook op basisscholen vinden 10-minutengesprekken routinematig plaats, vaak aangevuld met inhoudelijke ouderavonden over pedagogische onderwerpen.
Conclusie
De vraag is of 10-minutengesprekken echt een goed instrument zijn om de pedagogische betrokkenheid bij het kind goed tot uitdrukking te laten komen. Er zijn scholen die een echt contact met de ouders  op basis van gelijkwaardig partnerschap voorop stellen en daarop een visie ontwikkelen om tot een diepgaander contact te komen dan 10-minutengesprekken dat mogelijk maken. Zij kiezen voor een variatie aan oudercontacten waarbij ook veel ruimte wordt gelaten aan spontaniteit en echte betrokkenheid en waarbij ook ouderbezoeken thuis tot de mogelijkheden behoren. Wij vinden dat het creëren van authentieke ontmoetingen en de pedagogische insteek voorrang moet krijgen boven efficiency en routineuze gespreksprocedures.
Literatuur
A. Nieuwenbroek (2000) 10-minutengesprekken met ouders . Den Bosch KPC
Vries P. de (2010) Handboek ouders in de school’. Amersfoort CPS
Websites:  http://www.ouders.net/”http://www.ouders.net.